Wifi in een magazijn faalt zelden door te weinig signaal. Het faalt door weerkaatsing, door apparaten die te laat overschakelen naar een dichterbij gelegen punt, en door een ontwerp dat gebaseerd is op een leeg pand. Meer accesspoints bijplaatsen zonder meting verergert het probleem meestal.
Waarom een magazijn geen kantoor is
In een kantoortuin zit u met mensen op vaste plekken, in een ruimte met gipswanden en meubilair. Het signaal wordt gedempt maar netjes verdeeld.
Een magazijn is bijna het tegenovergestelde. Stellingen vol dozen slurpen het signaal op, terwijl metalen constructies, roldeuren en stalen rekken het juist hard terugkaatsen. U krijgt dus tegelijk plekken met te weinig signaal en plekken waar het signaal van meerdere kanten aankomt en zichzelf verstoort.
Daar komt beweging bij. Een medewerker met een scanner of een heftruck rijdt door de gangen en moet naadloos van het ene accesspoint naar het andere overgaan. Gebeurt dat te laat, dan valt de verbinding een paar seconden weg, precies lang genoeg om een order te laten vastlopen.
De vier fouten die ik het vaakst tegenkom
1. Ontworpen op een leeg pand
De meting is gedaan toen het magazijn net was opgeleverd. Nu staan de stellingen vol en is er een koelcel bijgekomen. Wifi gedraagt zich in een vol magazijn wezenlijk anders dan in een leeg magazijn; een ontwerp uit de lege situatie is daarom weinig waard.
2. Te veel zendvermogen
Het lijkt logisch: meer vermogen is meer bereik. In de praktijk werkt het averechts. Het apparaat hoort het accesspoint dan nog steeds hard genoeg om eraan vast te blijven plakken, terwijl het al veel dichter bij een ander punt staat. Bovendien kan het apparaat, dat een veel zwakkere zender heeft, niet terugpraten. U krijgt dan volle streepjes en toch geen verbinding.
3. Alles op hetzelfde kanaal
Meerdere accesspoints die op hetzelfde kanaal uitzenden, storen elkaar. In een ruimte waar het signaal ook nog eens terugkaatst, versterkt dat effect zich. Dit is een van de redenen waarom "er nog eentje bijhangen" het probleem verergert.
4. Consumentenapparatuur in een bedrijfsomgeving
Routers en versterkers uit de winkel zijn gemaakt voor een woonhuis met tien apparaten. Ze regelen de overgang tussen punten niet goed en houden het niet vol met dertig scanners die continu verbinding houden.
Hoe het wel moet
- Meet in de echte situatie. Volle stellingen, draaiende machines, tijdens werktijd. Niet op een lege zaterdag.
- Ontwerp op dekking van de apparaten, niet op dekking van de zender. De vraag is niet of de scanner het accesspoint hoort, maar of het accesspoint de scanner hoort.
- Plaats lager dan u denkt. In hoge ruimtes worden accesspoints vaak tegen het plafond van tien meter hoog gehangen. Beter is langs de gangen, op een hoogte waar ook daadwerkelijk gewerkt wordt.
- Verlaag het vermogen en gebruik meer punten. Dat klinkt tegenstrijdig, maar zo dwingt u apparaten op tijd over te schakelen.
- Gebruik een apart netwerk voor scanners. Gescheiden van kantoor en gasten, met instellingen die op deze apparaten zijn afgestemd.
- Bekabel waar het kan. Vaste werkplekken, pakstations en printers horen aan een kabel. Dat haalt belasting van de wifi af en is betrouwbaarder.
- Houd rekening met verandering. Een magazijn groeit en wordt heringericht. Zorg dat er bekabeling ligt op plekken waar u later misschien een punt wilt bijhangen.
Buitenterrein en koelcellen
Twee plekken vragen om aparte aandacht. Voor een buitenterrein, bijvoorbeeld voor laden en lossen, heeft u apparatuur nodig die tegen weer en temperatuurverschillen kan. Reguliere accesspoints achter een raam hangen werkt zelden.
Een koelcel is voor wifi vrijwel een kooi: geïsoleerde wanden met een metaallaag laten nauwelijks signaal door. Daar is een eigen punt binnen de cel nodig, met apparatuur die tegen de temperatuur kan en zonder condensproblemen.